Verhofstadt-orgel

Verhofstadt-orgel

Het hoofdorgel van de Grote- of Barbarakerk werd in 1719 opgeleverd door de Gemertse orgelmaker Matthias Verhofstadt. Het omvatte toen 21 registers, verdeeld over Hoofdwerk en Onderpositief; het Pedaal was aangehangen. Het hoofdwerk- en het onderpositieffront waren van vleugeldeuren voorzien.

In 1804 werd het instrument hersteld door de Utrechtse orgelmaker Abraham Meere; daarbij wijzigde hij de windkanalisatie. Bij die gelegenheid werd ook het front ‘gemoderniseerd’: de vleugeldeuren werden verwijderd, het hoofdwerkfront werd van vleugelstukken voorzien, het onderpositieffront werd gewijzigd, de consoles onder de pijptorens en de ornamenten op de zijtorens werden vernieuwd. In 1809 vernieuwde Meere de toetsmechanieken en de klavieren. De dispositie werd in 1833 gewijzigd door H.D. Lindsen (Utrecht) en in 1938 door N.A. van Dam (Utrecht). In 1879 herzag J.F. Witte (Utrecht) de intonatie en in 1898 verving G. van Druten (Hemmen) de houten stevels en koppen van de Trompet 8' door nieuwe metalen exemplaren. In 1959 reconstrueerde de firma J. De Koff & Zn (Utrecht) de stevels en de koppen van de Trompet 8' (grotendeels) en de Cimbel van het Hoofdwerk (deze was in 1833 vervangen door een Salicet 4').

In de jaren 1968-1971 werd het orgel integraal gerestaureerd door de firma J. de Koff & Zn, onder advies van Dr. M.A. Vente. Daarbij werd de dispositie van de manualen gereconstrueerd naar de situatie-Verhofstadt en werd een vrij pedaal (in een aparte kast achter het Hoofdwerk) alsmede een pedaalkoppeling toegevoegd. De drie spaanbalgen (Verhofstadt) werden qua functie (uitsluitend op motorwind) heringedeeld: de onderste twee werden aan elkaar gekoppeld en naar de manualen geleid, de bovenste voedde voortaan het Pedaal.

Bij de jongste restauratie door de orgelmakers Gebr. van Vulpen te Utrecht, werd allereerst noodzakelijk groot onderhoud uitgevoerd aan de hoofdkast, de windvoorziening, de mechanieken, de windladen en het pijpwerk. Daarnaast is de windvoorziening enigszins herzien: de beide onderste balgen functioneren nu onafhankelijk ten behoeve van de ‘manualenwind’, de schokbalgjes zijn buiten gebruik gesteld en het windkanaal naar het Onderpositief uit 1988 is vanwege zijn al te royale ‘mensuur’ qua maatvoering verkleind.

De in 1959 gehandhaafde metalen koppen van het groot octaaf van de Trompet 8' zijn alsnog (in hout) vernieuwd, de Cimbel is qua samenstelling herzien (nieuw derde koor; als dubbelkoor) en er is een nieuwe Vox Humana 8' vervaardigd, gebaseerd op de Heyneman-Vox Humana van het orgel in de Grote Kerk te Zaltbommel.

Dispositie

Hoofdwerk (II) C-c3 Onderpositief (I) C-c3
  • Bourdon 16
  • Prestant 8
  • Holpyp 8
  • Octaaf 4
  • Holfluyt 4
  • Quint 3
  • Superoctaaf 2
  • Nasaat 2
  • Mixtuur IV
  • Cimbel III
  • Sexquialter III discant
  • Cornet IV - discant
  • Trompet B/D 8
  • Holpyp 8
  • Prestant 4
  • Holfluyt 4
  • Octaaf 2
  • Quint 1 ½
  • Sexquialter II
  • Vox Humana B/D 8
Pedaal C-f1 Werktuiglijke registers
  • Subbas 16
  • Octaaf 8
  • Octaaf 4
  • Fluyt 2
  • Trompet 16
  • Trompet 16
  • Schalmey 4
  • Manuaalcoppel
  • Pedaalcoppel - naar het Hoofdwerk
  • Tramblant Hoofdwerk
  • Tramblant Onderpositief

Wiegleb-orgel

Wiegleb-orgel

In 1968 werd het interieur van de Grote- of St. Barbarakerk verrijkt met een kostelijk historisch koororgel. De kern van het instrument gaat terug tot de laatste decennia van de zeventiende eeuw. De orgelmaker Apollonius Bosch moet, vermoedelijk vóór 1680, een eenklaviers orgel (een positief) zonder een pijpenfront hebben vervaardigd. De oorspronkelijke locatie is niet bekend.

Rond 1740 werd het pijpwerk van dit Bosch-positief opgenomen in een nieuw eenklaviers kerkorgel. Daarvan getuigt onder meer nog het bewaard gebleven front. Het monogram IHS in de soffiet wijst op een bestemming in een katholieke (schuil)kerk. De naam van de orgelmaker die dit instrument bouwde, is lang onbekend gebleven. Recent intensief onderzoek door Peter van Dijk heeft als vermoedelijke maker Vitus Wiegleb aangewezen, van wie nog niet eerder een bewaard gebleven orgel werd geïdentificeerd.

Het Bosch-pijpwerk werd, voorzover valt na te gaan, integraal hergebruikt en aangevuld met een viertal nieuwe registers, waaronder een Prestant 4' in het front.

De klavieromvang werd C-c3 (de Bosch-registers werden, voorzover van toepassing, aangevuld met pijpen voor Cis, Dis, Fis en Gis). Er was waarschijnlijk geen pedaalklavier.

In 1968 werd het gedurende de 19e eeuw tamelijk verminkte instrument gerestaureerd en geplaatst in Culemborg door de firma J. de Koff & Zn. De dispositie werd, op basis van hetgeen toen bekend was, piëteitvol gereconstrueerd naar de 18e-eeuwse situatie. Wel werd daarbij ten onrechte aangenomen dat de achterste plaats op de windlade oorspronkelijk was bezet met een achtvoets tongwerk (Dulciaan). Intussen is gebleken dat op deze plaats de toetsmechaniek in de windlade werd geleid en dat daar derhalve in het concept-ca. 1740 geen register kan hebben gestaan. Ook waren de samenstelling van het metaal en de mensuren - en dus de klank - niet in overeenstemming met het oude materiaal.

Bij de restauratie in 2012 door orgelmaker J.C. van Rossum (Wijk en Aalburg), is deze dispositie gehandhaafd, met uitzondering van bovengenoemd tongwerk. De windvoorziening werd vernieuwd naar 18e-eeuws voorbeeld, met twee spaanbalgen met voetbediening. De stemtoonhoogte van Bosch, die in de situatie ca. 1740 gehandhaafd werd, is hersteld. Waar nodig werd nieuw pijpwerk bijgemaakt naar voorbeeld van het betreffende historische materiaal. De 19e-eeuwse zijkantbespeling werd gehandhaafd, omdat er achter de orgelkas te weining ruimte is voor het herstellen van het stekermechaniek.

Dispositie

Manuaal C-c3
  • Holpijp 8
  • Prestant 8 D
  • Prestant 4
  • Octaaf 4 B/D
  • Holfluyt 4
  • Quint 3
  • Octaaf 2
  • Sesquialter II D
  • Cymbel II
  • Mixtuur II
Pedaal C-c
aangehangen
 
  • Stemtoonhoogte a = 424 Hz.
  • Stemmingssysteem middentoons